Leuke ellende

Geplaatst op 8 juli, 2014 om 2:24 | In de categorie:

Als u een dezer dagen met uw sleurhut de dorpsgrenzen van Hoevelaken passeert op weg naar een wereld van vrije dagen dan geef ik u graag een tip mee voor de vakantie: neem een paar ellendige boeken mee. Zo ellendig dat je je de tranen lacht…

Stel, je ligt op je ligstoel bij het zwembad van je hotel in Turkije. Voor die stoel heb je moeten sprinten. Je kaapte hem net voor de neus weg van die Rus en die Duitser, door via het ondiepe deel van het zwembad een stuk af te snijden en jouw handdoek van afstand net even eerder op de strandstoel te werpen. Dan is het tijd voor een ‘vrolijk’ boekje. Bijvoorbeeld Afwezigheidsassistente van Marc van Biezen (2007). De aankondiging op bol.com laat zien uit welke donkere krochten van het leven de wind waait:

In de gedichten in Afwezigheidsassistente is, net zoals in het echte leven, de dood alomtegenwoordig. Maar gelukkig is er af en toe ook ruimte voor ziekte, verval, vergankelijkheid, valse hoop en sombere seks. Hoe zwaar ook de behandelde thema’s en de geschetste situaties, de toon in deze bundel is immer licht. Al biedt Afwezigheidsassistente weinig hoop op een goede afloop van dit leven, de gedichten bieden wel een aangename afleiding van de afgrond waar wij allen op afstevenen.

En tot welke ‘lichte’ gedichten leidt dit dan? Bijvoorbeeld tot het titelgedicht:

U gaat snel dood
en wordt niet meer geopereerd,
ik hoop u hiermede
voldoende te hebben geïnformeerd. 

Het doet me denken aan Townes VanZandt, een van de grootste singer-songwriters ooit. Ook dat was niet bepaald een vrolijke jongen. Tegen een journalist zegt hij: ‘Vind je mijn songs een depressieve toon ademen? Dat vind ik wel meevallen. Ik heb zeker vier songs die alleen maar hopeloos en uitzichtloos zijn.’

Deze vermakelijke over-de-top ellende is niet alleen terug te vinden bij schrijvers als Hans Dorrestein en Levi Weemoedt (de naam alleen al), maar bijvoorbeeld ook bij een oude coryfee als Piet Paaltjens. Dit alterego van François Haversmidt brengt in 1867 de gedichtenbundel Snikken en grimlachjes uit. Piet was – zo lees ik –  een bleke student in Leiden die altijd zuchtend en weemoedig in de sociëteit zat, weinig of geen vrienden had en boven een doodgraver woonde. Als hij zijn gedicht Hoor ik op Sempre een waldhoorn voordroeg, dan kon men de tranen van de studenten horen vallen. Meestal werd hij niet begrepen.

Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En – ik weet zelf niet waarom.

Gelukkig hebben we de lach om ‘het bitter weenen’ te bestrijden. Misschien pleng je bittere tranen omdat je dit jaar de meest ellendige vakantie in jaren meemaakt, maar…. – om met het onvolprezen cabaretduo Sandifort en Klaassen te spreken – ‘morgen lach je d’r om’.

Mijn zusje amper zestien,
een vrolijke blonde meid,
liep elke dag haar kranten,
maar op een avond was ze kwijt.

Na zeven onrustige weken
werd zij gevonden, al in een sloot,
ze bleek veertien keer verkracht
en op een brute manier gedood.

En hoppa, door naar het refrein en inhaken maar:

Volgend jaar lach je d’r om,
achter de wolken schijnt de zon,
kijk toch vooruit, niet achterom,
lachen is gezond….

Vrolijke vakantie.

Ben Tekstschrijver